Nederlands in de bovenbouw

De drukker Kiliaan
Het vak Nederlands in de bovenbouw van de havo en het atheneum bestaat uit twee componenten: taalkunde en letterkunde.
Naast het beheersen van algemene vaardigheden zoals stijl-, spelling- en grammaticale vaardigheden, ligt de nadruk bij taalkunde op het kunnen analyseren, produceren en reproduceren van zowel geschreven als gesproken teksten. Zo moet jij als leerling in staat zijn teksten te analyseren en te interpreteren: de tekstverklaring en de samenvatting. Belangrijk hierbij is dat je niet alleen tekstinhoudelijk verbanden weet te leggen, maar ook overeenkomsten en verschillen ziet tussen verschillende teksten en de verscheidene tekststructuren en –vormen herkent.
Daarnaast wordt van je verwacht dat je in staat bent om een kritische tekst te schrijven. Dit kan een betoog zijn, een beschouwing of een combinatie van beide. Ook moet je in staat zijn inhoudelijk te kunnen reageren op zowel geschreven als gesproken teksten.
Bij dit laatste wordt in ruime mate aandacht besteed aan het debat. Het goed voeren van een debat vergt niet alleen de nodige kennis voor wat betreft de taalkundige kant, maar vraagt ook brede maatschappelijke kennis en interesse. In dit kader wordt het lezen van kranten en tijdschriften en het volgen van actualiteitsprogramma’s zeer gestimuleerd.
Het debat
Bij het onderdeel letterkunde wordt van je verwacht dat je uiteindelijk beschikt over voldoende literatuurtheoretische kennis: wat is literatuur, wat is proza, wat is poëzie, welke stijlfiguren ken je en welke vormen van beeldspraak zijn er zoal? Daarnaast wordt je literair-historische kennis getoetst: van de Middeleeuwen tot en met de moderne tijd. Dit aspect behelst de gehele West-Europese letterkunde, aangezien dit onderdeel óók getoetst en meegewogen wordt bij de moderne vreemde talen: Duits, Engels en Frans. Ook lees je een aantal primaire werken en stelt hiervoor in overleg met de docent een literatuurlijst samen. Het spreekt voor zich dat het aantal te lezen primaire werken dient te voldoen aan bepaalde criteria. Niet alleen moet je bij dit laatste op de hoogte te zijn van verhaal, tijd, ruimte en personages, maar moet je ook verbanden weten te leggen tussen de geschreven werken onderling én verbanden weten aan te geven tussen het geschreven werk en zijn maatschappelijke, historische, sociale en politieke context en andere kunstdisciplines. Daarom wordt tijdens de lessen letterkunde ook aandacht besteed aan film, toneel en cabaret. Op jouw literatuurlijst staan natuurlijk niet alleen prozateksten. Er wordt tijdens de (literatuur)lessen veel aandacht besteed aan het lezen en analyseren van gedichten, en mocht je de onbedwingbare behoefte voelen om zélf teksten te produceren, je wordt van harte uitgedaagd!
Tot slot, niet geheel onbelangrijk: je cijfer. Het cijfer voor het schoolexamen Nederlands wordt samengesteld uit het (onafgeronde)eindcijfer behaald in klas 4 (havo) of klas 5 (vwo), een toets 'Spelling en stijl', een tekstverklaring, schrijfvaardigheid (het schrijven van een betogende tekst), spreekvaardigheid (het voeren van een debat) en letterkunde. Het afsluitend Centraal Schriftelijke Eindexamen (CSE) bestaat uit een tekstverklaring en het maken van een samenvatting. (Voor wegingen en gedetailleerde informatie over de toetsen: zie PTA's.
▲
Startpagina